Personeelssamenstelling

Personeelssamenstelling #

In het linker menu staan de verwijzingen naar de functionele beschrijvingen van de indicatoren Personeelssamenstelling. Hieronder staan de algemene uitgangspunten die gehanteerd worden bij de berekening van deze indicatoren.

Algemene Uitgangspunten bij de berekening van de indicatoren #

Inleiding #

Voor de berekening van de indicatoren personeel en basisveiligheid worden uitgangspunten gehanteerd.

De uitgangspunten zijn ingedeeld in de volgende thema’s:

  1. Algemene uitgangspunten;
  2. Relaties tussen overeenkomsten, rollen en groepen;
  3. Zorgverleners selecteren;
  4. Het kwalificatieniveau bepalen;
  5. Toerekening naar de Wlz;
  6. Cliënten met een Wlz-indicatie selecteren.

Algemeen #

  • Kalenderdagen worden bepaald op basis van 1 jaar = 12 maanden en 1 maand = 30 dagen. Elke maand telt daarmee even zwaar mee in een berekening.
  • Iedere afnemer van gegevens kan op basis van het totaal aantal uren zijn/haar eigen definitie van fte toepassen, zoals 36, 38 of 40 uur per week. Een afnemer kan op deze manier zelf het aantal fte uitrekenen.

Relaties tussen overeenkomsten, rollen en groepen #

Zie: https://github.com/mnieuwland/kik/blob/main/gegevenselementen.md#samenhang-overeenkomst-rol-en-groep

De uitgangspunten in bovenstaande tabel leiden bijvoorbeeld tot de volgende relatie en indelingen:

  • Een persoon met een Arbeidsovereenkomst BBL, heeft dus ook een Arbeidsovereenkomst bepaalde tijd, een Arbeidsovereenkomst en een Werkovereenkomst:
    1. Vanwege deze overeenkomst heeft hij/zij dus de rollen Leerling-Werknemer, Werknemer en Medewerker.
    2. Vanwege deze overeenkomst resp. rollen, behoort hij tot de groep Personeel in Loondienst.
  • PIL en PNIL zijn personen met een of meerdere van de volgende werkovereenkomsten:
    1. Arbeidsovereenkomst;
    2. Oproepovereenkomst;
    3. Inhuurovereenkomst;
    4. Uitzendovereenkomst.
  • Stagiairs en vrijwilligers behoren niet tot de groep personeel in loondienst.

Zorgverleners selecteren #

In principe bepaalt elke zorgaanbieder welke personen vallen onder zorggerelateerde werknemers.

Een van de manieren is om dit te bepalen op basis van ‘functie’. Hierbij kan bijvoorbeeld de volgende werkwijze worden gehanteerd:

  • De zorgaanbieder bepaalt welke functies zorgverlener zijn.
  • Of een persoon een zorgverlener is wordt bepaald op basis van de functie van die persoon gedurende een bepaalde periode.
  • Dit betreft de functie die vermeld staat in de werkovereenkomst van de werknemer.
  • Functies die bijvoorbeeld kunnen vallen onder de definitie van zorgverlener zijn: behandelaren, verpleegkundigen, verzorgenden, helpenden, geestelijk verzorgenden, gastvrouwen, vrijwilligerscoördinatoren, activiteitencoördinatoren, welzijnsmedewerkers, medewerkers activiteitenbegeleiding, beweegagogen, sociaal agogen, leerlingen, medewerkers leefplezier, woonbegeleiders, medewerkers zorg & welzijn, zij-instromers met BBL-opleiding, stagiaires, huiskamermedewerkers, SPW-ers, familiecoaches, voedingsassistenten die direct werken met klanten, huishoudelijke medewerkers of facilitaire medewerkers die direct werken met klanten, catering medewerkers die direct werken met klanten, locatiemanagers en teamleiders en anderen als ze (deels) werken als zorgpersoneel.
  • Nota bene: De aanwezigheid en/of hoeveelheid direct en indirect cliënt-contact is niet bepalend voor de selectie van functies. Of en in hoeverre de aanwezigheid en/of hoeveelheid cliënt-contact wordt meegewogen in de selectie van functies die als zorgverlener worden aangemerkt, is aan de zorgaanbieder zelf.

Het kwalificatieniveau bepalen #

In principe bepaalt elke zorgaanbieder welke personen vallen in een bepaald kwalificatieniveau.

Een van de manieren is om dit te bepalen op basis van ‘functie’. Hierbij kan bijvoorbeeld de volgende werkwijze worden gehanteerd:

  • Het kwalificatieniveau wordt bepaald op basis van de functie die geregistreerd is bij de werkovereenkomst.
  • Elke functie is ingedeeld in maximaal één kwalificatieniveau.
  • Een kwalificatieniveau kan meerdere functies bevatten.
  • De zorgaanbieder bepaalt in welk kwalificatieniveau een functie wordt ingedeeld. De indeling vindt plaats in een van de 9 kwalificatieniveaus uit de lijst met kwalificatieniveaus uit het Handboek in het kwaliteitskader verpleeghuiszorg.

Toerekening naar de Wlz #

In principe bepaalt elke zorgaanbieder hoe de toerekening naar de Wlz wordt gedaan.

Een van de manieren is om dit te bepalen op basis van ‘organisatieonderdeel’. Hierbij kan bijvoorbeeld de volgende werkwijze worden gehanteerd:

  • Een cliënt beschikt gedurende een bepaalde periode over een Wlz-toewijzing met een zzp-pakket tussen de 4 en de 10.
  • De cliënt ontvangt binnen de organisatie de zorg die volgt vanuit de toewijzing.
  • De organisatie is ingedeeld in verschillende (organisatie-)onderdelen, zoals een team, afdeling, een organisatorische eenheid en/of kostenplaats. Deze onderdelen kunnen ook naast elkaar bestaan.
  • De cliënt is (bijvoorbeeld in het ECD) geregistreerd op een bepaald onderdeel van de organisatie.
  • Op dit organisatie-onderdeel kunnen meerdere cliënten geregistreerd zijn met diverse zzp-toewijzingen, maar ook met andere of aanvullende zorg die niet onder de Wlz vallen.
  • Een zorgverlener registreert zijn/haar uren op een organisatie-onderdeel.
  • Het is daardoor onbekend hoeveel uren een zorgverlener aan een specifieke cliënt heeft besteed.
  • Het aandeel aan zorg dat besteed is aan Wlz wordt bepaald op basis van het aantal dagen dat een cliënt met een bepaalde zorgtoewijzing is geregistreerd op een organisatie-onderdeel.
  • Bijvoorbeeld: Wanneer 2 zorgverleners op jaarbasis in totaal 2.000 uren hebben geregistreerd op een organisatie-onderdeel waar gedurende dat jaar 1 cliënt met een Wlz-toewijzing zzp-4 en een ‘niet-Wlz-cliënt’ staan geregistreerd is de toewijzing 1.000 uren of 0,5.
  • Bij organisatie-onderdelen waar de registratie van cliënten plaatsvindt, maar geen zorgverleners zijn geregistreerd (of visa versa), wordt het bovenliggende organisatie-onderdeel en alle onderliggende organisatie-onderdelen als uitgangspunt genomen.
  • Bijvoorbeeld: Een organisatie-onderdeel, bijvoorbeeld een locatie, beschikt over 2 (sub-)organisatie-onderdelen, bijvoorbeeld een team en een afdeling. De zorgverleners registeren hun uren op het organisatie-onderdeel team en de cliënten staan geregistreerd op het organisatie-onderdeel afdeling. In dit geval wordt de toerekening van de Wlz op basis van de afdeling toegepast op het team.

Cliënten met een Wlz-indicatie selecteren #

  • Cliënten met een Wlz-Indicatie met zzp 4 t/m 10 worden geïncludeerd.
  • Deze cliënten beschikken gedurende een bepaalde periode over een Wlz-toewijzing met een zzp-pakket tussen de 4 en de 10.
  • Dit betreft cliënten bij wie een van de volgende indicaties zijn geregistreerd (bijvoorbeeld in het ECD): 753, 754, 755, 756, 757, 758 of 759.